Horror van Nederlandse bodem
In 2025 debuteerde Siep Hendriks (in dit millennium geboren) met Voordat we slapen, een heuse horror van eigen bodem. Dat boek las ik (nog) niet, maar opvolger In het diepe diepe duister, verschenen in april 2026 en eveneens een horrorthriller, wel.
Al mijn hele leven lees ik fantasy en inmiddels ook al decennia scienceficton, de derde hoofdader van de speculatieve genres, horror, liet me echter altijd onberoerd. Ik hou niet van horrorfilms en buiten de genormaliseerde horrortropes als vampieren en weerwolven (tegenwoordig ruimschoots te vinden in de romantasy), kwam ik amper in aanraking met dit duisterste aller duistere genres.

Horror is de zwartste bril
En nu ben ik er dol op. De laatste jaren daalde ik via literaire horror en korte verhalen (van bijvoorbeeld Agustina Bazterrica) de keldertreden af. Waar ik altijd heel goed begrepen en gezien heb dat fantasy en scifi allebei een boeiende bril vormen op onze realiteit, samenleving, levens, heb ik dat bij horror nooit overwogen. Maar horror is alsof je in een spiegel kijkt naar het meest duistere in de mens, vormgegeven als wezens van de nacht, gruwel, bloed, angst en het bovennatuurlijke onuitsprekelijke. Het is ook een bril, de zwartste bril. Een echte, heuse horror van eigen bodem moet ik dan natuurlijk lezen.
Something old, something new
Hendriks heeft die spiegel toegepast in zijn nieuwste boek, waarin arts Nina Shin niet meer thuis kan komen, omdat er al iemand thuis is, in haar plaats, in haar rol, in haar leven. Een sprekend op haar lijkende man, die haar dochter ‘papa’ noemt en haar echtgenoot omarmt. Zij wordt niet herkend, lijkt identiteitsloos te zijn en loopt verloren rond.
Nu is dit gegeven niet meteen heel origineel, het vervangingsfenomeen is best wel stevig gebruikt (heb je The 6th Day met twéé Arnold Schwarzeneggers gezien?), maar alles is immers al goed grijs gedraaid. Het gaat er niet om iets nieuws te doen, je kan ook iets ouds heel goed en/of origineel doen.
Genderidentiteit staat centraal
Shin wordt opgevangen door de charismatische Amerikaan Lester van Bureau Randzaken, een groep mensen die hetzelfde is overkomen en de ‘Vervangenen’ opvangt en hun ‘Kadavers’ in de gaten houdt, omdat ze na een bepaalde periode kunnen ontsporen in een gewelddadige en klaarblijkelijk willekeurige moordrazernij. Shin maakt vrienden, wordt getraind en ingewerkt, rouwt om haar verloren leven, maar ontdekt ook iets nieuws, zijn nieuwe identiteit als man. Het is niet voor niets dat hij de enige is die als vrouw een mannelijk Kadaver heeft. Deze hele shock is vreselijk voor Shin, maar het levert hem wel deze metamorfose op, hij durft zichzelf eindelijk Noa te noemen in plaats van Nina en adopteert de hij/hem-voornaamwoorden. In het boek is dit prachtig gedaan, door het personage (natuurlijk) meteen in de hij-vorm te beschrijven. Het geeft een kleine leesshock en je moet even schakelen, maar dat is juist heel erg sterk.
Kolkend of kabbelend
Ook al is deze verhaallijn rond genderidentiteit heel sterk, het vecht ook enigszins voor ruimte met het horrorelement van het boek. Het bladzijdenaantal overtreft de vijfhonderd ruim en de ietwat ‘zemelige’ intermezzo’s rond vrienden maken, jezelf leren kennen en accepteren, anderen helpen en je laten helpen door anderen, het is allemaal best wat veel. Het is grotendeels goed gedaan, maar de spanning laat zich aardig doorbreken wat het boek gewoon een wat ander karakter geeft dan een niet neer te leggen spannend verhaal. Het haalt het tempo uit de kolkende rivier in hier en daar wat kabbelende, ondiepe bochtjes.
Goed én slecht
Het horrorelement, de Kadavers, is heel fijn én matig uitgevoerd. Ze tonen prachtig, ze groeien, geven licht, hebben akelige grimassen. Hendriks beschrijft ze geweldig, hun doen en laten, hun voorkomen, hoe je ze kunt herkennen. Maar, tegen het einde van het boek, breekt dit element een beetje uit de plotvoegen. Ik heb het niet gedaan, maar ik vermoed dat als je dit element schematisch uitwerkt, er een lading losse draadjes hangt die nergens aan vast te knopen zijn. Het klopt volgens mij niet helemaal. De ‘hoe zit dit dan?’-vragen vlogen me om de oren na het dichtslaan van het boek en ik denk dat de interne consistentie wel wat te lijden heeft.
Ik ben van de speculatieve genres en sta pal voor interne consistentie. Wat je ook bedenkt, hoe gek en onbestaand ook, bínnen je verhaal moet het kloppen. Ik kukel hier een beetje van mijn geloof in het verhaal af.
Échte horror
Een tweede minpunt aan het horrorelement van de Kadavers vind ik dat ze uiteindelijk (let op, spoiler!) voornamelijk een weergave zijn van het menselijke karakter. En ja, ik zei kort geleden nog zo duidelijk dat juist die spiegel op het menselijke horror zo bijzonder maakt. Maar ik vind dat een horrorwezen op zichzelf moet mogen bestaan, zonder eigenlijk slechts een symbolische levensles te zijn. Zodra de angel eruit is getrokken, loopt het volledige gevaar van de Kadavers als een dag oude verjaardagsballon leeg.
Deze angel is overigens heel uitgebreid opgebouwd en je ziet hem daardoor van een flink eind aankomen. De ene helft van deze verhaallijn vind ik heel sterk gedaan en de andere helft is net wat de plot doet wankelen. Hendriks lijkt in en met dit boek net iets te veel te willen doen, maakt net niet de keuzes die strak en meedogenloos genoeg zijn.
Een feelgoodhorror van vier sterren
Horrorelementen mogen horror zijn, echte horror, geen symbolische zitting bij de psycholoog die teniet wordt gedaan zodra de levensles is geleerd. Ondanks dit alles noteerde ik vier sterren voor dit boek. Het is heel fijn en goed geschreven, beter dan ik ooit voor thrillerjury’s heb gelezen. Het heeft voor een kritische genrelezer wellicht wat mankementen, maar ik heb van het boek genoten en zou het best een feelgoodhorror of cosy horror durven te noemen.
In 2025 debuteerde Siep Hendriks (in dit millennium geboren) met Voordat we slapen, een heuse horror van eigen bodem. Dat boek las ik (nog) niet, maar opvolger In het diepe diepe duister, verschenen in april 2026 en eveneens een horrorthriller, wel.

